Gezondheid
Luchtkwaliteit meten op kantoor
Wat u meet (CO2, temperatuur, luchtvochtigheid, TVOC, fijnstof), welke Nederlandse regels en normwaarden bestaan, waar de meter hangt en hoe lang u meet.
Luchtkwaliteit meten op kantoor begint met CO2, temperatuur en luchtvochtigheid. CO2 laat zien of een ruimte genoeg verse lucht krijgt terwijl er mensen zijn. Temperatuur en vocht bepalen het comfort. TVOC en fijnstof zijn een aanvulling. Eén meting zegt weinig. Een meetreeks per ruimte, over meerdere werkdagen, geeft een bruikbaar beeld.
Wat meet u bij luchtkwaliteit meten op kantoor?
- CO2: mensen ademen het uit. Een hoge waarde betekent dat er te weinig verse lucht binnenkomt voor het aantal mensen in de ruimte. Het is geen maat voor de lucht als geheel.
- Temperatuur: de basis voor comfort. Een luchtthermometer meet de luchttemperatuur. De normen hieronder gebruiken de operatieve temperatuur, een gewogen gemiddelde van lucht- en stralingstemperatuur.
- Relatieve luchtvochtigheid: ze hoort bij het comfort. De Amerikaanse milieudienst EPA schrijft in haar gids voor schoolgebouwen dat de relatieve vochtigheid onder 60 procent moet blijven, bij voorkeur tussen 30 en 50 procent.
- TVOC: de som van vluchtige organische stoffen in de lucht. De waarde noemt geen stof en wijst niet naar een bron. Als referentie noemt het Programma van Eisen Frisse Scholen 200 microgram per m³ voor leslokalen, zie [Frisse Scholen en CO2-meting](/nl/blog/frisse-scholen/).
- Fijnstof: kleine deeltjes in de lucht, meestal PM2.5 (kleiner dan 2,5 micrometer). Een meter geeft een indicatie. Het Programma van Eisen Frisse Scholen stelt geen eis aan de concentratie, maar wel aan de filters in de ventilatie.
De EPA raadt in dezelfde gids af om te meten op losse stoffen, omdat de resultaten moeilijk te duiden zijn. Zij noemt een CO2-monitor wel nuttig om te zien wanneer de toevoer van buitenlucht mogelijk te laag is.
Welke regels en waarden gelden in Nederland?
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl, de opvolger van het Bouwbesluit) stelt eisen aan de ventilatiecapaciteit per persoon, niet aan ppm. Volgens IPLO is dat voor een kantoor in nieuwbouw 6,5 dm³/s per persoon (artikel 4.122). Voor bestaande bouw noemt IPLO 3,44 dm³/s per persoon voor kantoren (artikel 3.67). Een dm³/s is een liter per seconde.
Het Arbobesluit bevat volgens het Arboportaal voorschriften voor temperatuur en de hoeveelheid frisse lucht. Een ppm-grens voor kantoren noemt de bron niet.
Een veelgebruikte maatstaf is de Europese norm EN 16798-1:2019, in Nederland NEN-EN 16798-1. Atze Boerstra beschrijft in het REHVA Journal de waarden voor kantoortuinen:
De temperaturen zijn operatieve temperaturen bij zittend werk en 1,0 clo kleding in de winter en 0,5 clo in de zomer. De CO2-waarden zijn de toegestane stijging boven het buitenniveau. Deze cijfers komen uit het artikel van Boerstra.
Welke meter kiest u?
De Britse arbeidsinspectie HSE noemt NDIR-CO2-monitoren (non-dispersive infrared) het meest geschikt voor werkplekken. Volg de aanwijzingen van de fabrikant over kalibratie. Volgens HSE is een CO2 meter van beperkt nut in ruimten met weinig mensen, wisselende bezetting of grote open hallen.
Meet u meer dan CO2, kies dan een meter met sensoren voor temperatuur, vocht, TVOC en fijnstof in één apparaat. Een meter met een scherm helpt een eerste klacht te beoordelen. Een meter met dataverbinding is nodig als u meerdere ruimten wilt vergelijken en trends wilt zien.
Waar hangt de meter?
Volgens HSE hangt een CO2-monitor op hoofdhoogte. Houd minstens 50 cm afstand van mensen, want hun uitgeademde lucht bevat CO2. Houd ook afstand van ramen, deuren en luchttoevoeropeningen. HSE adviseert om meerdere plekken uit te proberen en de meest representatieve te kiezen. In grotere ruimten kunnen meerdere meetpunten nodig zijn.
Meet per ruimte. Een vergaderkamer en een kantoortuin op dezelfde verdieping hebben een andere bezetting. Eén meter per verdieping middelt die verschillen weg.
Hoe lang moet u de luchtkwaliteit meten?
HSE waarschuwt dat losse momentopnames misleiden. Neem meerdere metingen verspreid over de dag, terwijl de ruimte bezet is. Herhaal de metingen als het weer verandert, want natuurlijke ventilatie hangt af van wind en het gebruik van ramen en deuren.
Een praktische keuze bij luchtkwaliteit meten is minimaal twee volle werkweken. Dan ziet u rustige en drukke dagen en het verschil tussen werktijd, avond en weekend. Dit is een advies en geen norm.
Hoe leest u de meetgegevens?
- Kijk eerst naar het patroon per dag. CO2 hoort te stijgen als mensen binnenkomen en te dalen als ze weggaan.
- Vergelijk de piek met de gekozen categorie. HSE ziet CO2-waarden die in een bezette ruimte steeds boven 1.500 ppm liggen als teken van slechte ventilatie. HSE zegt ook dat 1.000 ppm overeenkomt met ongeveer 10 liter per seconde per persoon.
- Kijk naar de nacht. De PNNL-richtlijn voor het afstellen van gebouwen adviseert om een CO2-sensor die onder 400 ppm meet te herkalibreren of te vervangen. Een sensor die buiten werktijd ver boven het buitenniveau blijft, kan ook afwijken.
- Zet de data naast de bezetting. Een ruimte met hoge CO2 en weinig mensen heeft een ander probleem dan een volle ruimte met matige CO2.
- Vergelijk ruimten onderling. Een groot verschil tussen twee ruimten met dezelfde bezetting kan wijzen op een instelling of een defect.
HSE benadrukt dat CO2-metingen slechts een grove richtlijn voor ventilatie zijn en niet aantonen dat lucht veilig is. Wat u daarna met de uitkomst doet, staat in ventilatie kantoor.
Nomestic helpt met monitoring van de binnenluchtkwaliteit per ruimte, bijvoorbeeld met de Airsight Pro. De meetreeksen zijn de basis voor de analyse en voor het automatisch regelen van de ventilatie.


